De uiterlijke situatie

In de samenwerking van Dr. en Lies Pressel kwamen onderbrekingen voor doordat tussen 1960 en 1969 vier kinderen geboren werden, die in het zelfde huis opgroeiden waar de patiënten in en uit gingen.

De meesten patiënten waren vertrouwd met de familiesituatie daar ze door vele jaren, sommigen enkele tientallen jaren, regelmatig voor consultatie en massage kwamen.

Een wezenlijke zin van deze behandelingsreeks was, preventief te werken, gezondheid te sterken en algemeen sterkende levensbegeleiding te geven. Dit werd door vele patiënten waargenomen en bij b. v. griepepidemie viel het op, dat in de praktijk nauwelijks acute zieken waren. Het kwam ook uiterst zelden voor, dat Pressel in de nacht of op weekeinden patiënten te verzorgen had. Dit mag voor een buitenstaander vreemd en aanmatigend klinken. Maar men kan denken aan het gezondheidswezen in Indien, waar sinds de oudheid de huisarts betaald wordt zolang de mens gezond is: in geval van ziekte behandelt de arts zonder betaling! Daardoor heeft zich daar een geneeskunde en kultuur ontwikkeld, die weet, hoe men mensen gezond houdt! De massage van Pressel kan men als een europeïsche variante daarvan zien.

Lies Pressels woorden over de financiële kant van deze werkwijze was: "Simeon Pressel was nooit van de overtuiging weg te brengen, dat hij „fonds-arts“ moest zijn, zodat ieder zijn behandeling kon hebben. Dit leidde tot een bescheiden inkomen: van het toch al zeer magere fondshonoraar werden hem steeds weer een derde deel afgetrokken, omdat hij niet „economisch“ werkte! „Ik ben geen zakenman: ik ben arts“ was zijn parool, wat toen al geen indruk maakte op het ziekenfonds. Pas toen een arts, die de afrekeningen controleerde, bijna drie maanden regelmatig in het spreekuur kwam en in de wachtkamer steeds de zelfde mensen aantrof, hun gesprekken hoorde, meebeleefde, dat het werkelijk minstens een half uur duurde tot hij klaar was, kwam iets van tolerantie van de ziekenfondsen. Dit duurde niet zeer lang, daar de genoemde arts wegging. Een kleine toeslag van DM2,50 te verlangen werd door de artsenkamer meteen geblokkeerd met de bedreiging, van de fondsen uitgesloten te worden. Dat zou tegen Pressels principes geweest zijn, dus bleef alles als van ouds! Zijn motto was: de dienst aan de patiënt, niet de verdiensten. Inderdaad vertelde hij, dat hij als dertienjarige jongen een idee met volgende inhoud had: “Wil je heer(ser) worden, moet je anderen dienen“."